Fragmenten uit de inleiding tot het boek 'The Field', links op deze pagina kan de complete vertaling van deze inleiding worden gedownload.

Kwantum Fysica als Wereldbeeld

(Uit de proloog van het boek ‘The Field’ van Lynne McTaggart)

We bevinden ons midden in een wetenschappelijke en levensbeschouwelijke revolutie. In de voorhoede van de wetenschap ontwikkelen zich nieuwe inzichten die alles omverwerpen wat we denken over hoe onze wereld in elkaar zit en hoe we ons zelf zien. Die ontdekkingen bevestigen dat mensen veel meer zijn dan samenstelling van vlees en beenderen. In haar meest fundamentele vorm beantwoordt deze wetenschap vragen die wetenschappers al honderden jaren voor raadsels hebben geplaatst. In haar meest spectaculaire vorm gaat het hier om de wetenschap van het wonderbaarlijke.

De afgelopen tientallen jaren hebben gerespecteerde wetenschappers in verschillende disciplines over de hele wereld goed opgezette experimenten uitgevoerd waarvan de resultaten volledig in tegenspraak zijn met de huidige opvattingen binnen de biologie en de natuurkunde. Bij elkaar genomen bieden deze studies ons een omvangrijke hoeveelheid informatie over de centrale organiserende kracht die ons lichaam en de hele kosmos aanstuurt.

Wat ze hebben ontdekt is niets minder dan verbluffend. Op het meest fundamentele niveau zijn we geen chemische reactie, maar een energetische lading. Mensen en alle andere levensvormen zijn samenvoegingen van energie binnen een energieveld dat met alle dingen in de wereld verbonden is. Dit pulserende energieveld is de centrale motor van ons zijn en ons bewustzijn, de alfa en omega van ons bestaan.

. . .

Tot op de huidige dag zijn biologie en natuurwetenschap de dienaren geweest van de zienswijzen die zijn geformuleerd door Isaac Newton, de vader van de moderne natuurwetenschap. Alles wat we aannamen over onze wereld en onze plaats daarin is ontleend aan ideeën die in de zeventiende eeuw zijn geformuleerd en nog steeds als ruggengraat dienen voor de moderne wetenschap – theorieën die alle elementen van het universum voorstellen als geïsoleerd van elkaar, deelbaar en volledig in zichzelf bestaand.

. . .

De komst van de Kwantum Fysica

Deze wereld van het afgescheiden zijn zou eens en voor altijd terzijde moeten zijn gesteld door de ontdekking van de Kwantum Fysica in de eerste helft van de twintigste eeuw. Toen de pioniers van de kwantum fysica tuurden in het hart van de materie, waren ze onthutst door wat ze zagen. 

De kleinste deeltjes materie waren helemaal geen materie zoals wij die kennen, niet eens een bepaald iets, maar soms het ene en op een ander moment iets heel anders. En nog gekker, ze waren soms vele mogelijke dingen tegelijkertijd. Maar wat het meest betekenisvol was, de subatomaire deeltjes hadden geen betekenis in afzondering, alleen in relatie met al het andere.  

. . .

En hoe staat het met onszelf? Opeens hadden we een centrale positie in elk fysiek proces, maar niemand had dit nog volledig erkend. De kwantum pioniers hadden ontdekt dat onze betrokkenheid bij de materie cruciaal was. Subatomaire deeltjes bestaan in alle mogelijke staten tegelijk totdat ze verstoord worden door ons – door te observeren of te meten – op dat moment veranderen ze in iets concreets. 

Onze observatie - ons menselijk bewustzijn – was uiterst centraal in dit proces waarin deze subatomaire energiestroom verandert in een concreet object, maar we kwamen niet voor in enige wiskundige formule van Heisenberg of Schrödinger.

. . .

Al die losse eindjes van de kwantum fysica waren nooit samengevoegd tot een coherente theorie en kwantum fysica werd gereduceerd tot een extreem succesvol instrument van de technologie, van vitaal belang voor het maken van atoombommen en moderne elektronica. De filosofische implicaties werden vergeten en alles wat overbleef waren de praktische voordelen.

. . .

Een kleine groep wetenschappers verspreid over de wereld was er niet tevreden mee om maar domweg de berekeningen van de kwantum fysica toe te passen. Zij zochten naar een beter antwoord op vele van de grote vragen die onbeantwoord waren gebleven.

. . .

Meerderen van hen begonnen na te denken over enkele vergelijkingen die altijd uit de berekeningen werden weggewerkt in kwantum fysica. Deze vergelijkingen stonden voor ‘the Zero Point Field’ (het nulpuntveld) – een oceaan van microscopische vibraties in de ruimte tussen objecten. 

Als het Zero Point Field meegenomen zou worden in ons begrip van de meest fundamentele aard van de materie, zo beseften zij, dan is de hele grondslag van ons universum een golvende zee van energie – één uitgestrekt kwantum veld. Als dat zo zou zijn dan zou alles met alles verbonden zijn als in een onzichtbaar web.

. . .

Hun ontdekkingen waren uitzonderlijk en ketters. In één klap hadden ze vele van de meest elementaire wetten van de biologie en natuurwetenschap aan de kaak gesteld. Wat ze ontdekt leken te hebben was niets minder dan de sleutel tot alle informatieverwerking en uitwisseling in onze wereld, van de communicatie tussen cellen tot onze waarneming van de wereld als geheel. Ze kwamen met antwoorden op sommige van de meest diepzinnige vraagstukken in de biologie over de menselijke morfologie en levend bewustzijn. Hier, in de zogenaamde ‘dode ruimte’ lag mogelijkerwijs de sleutel tot het leven zelf.

. . .

Het meest fundamentele was dat ze bewijs hadden geleverd dat wij allemaal verbonden zijn met elkaar en met de wereld in de diepere lagen van ons zijn. Door wetenschappelijke experimenten hadden ze aangetoond dat er zoiets kan zijn als een levenskracht die overal door het universum vloeit . . .

. . .

In tegenstelling tot de wereld van Newton of Darwin, hadden zij een visie die levensverruimend was. Dit waren ideeën die ons konden bekrachtigen, met hun implicaties van orde en leiding. We waren niet slechts een ongelukje van de natuur. Er was doelmatigheid en eenheid in onze wereld en in onze plaats daarin, en we hadden er zelf een belangrijke stem in.

. . .

Deze ideeën waren van het kaliber van verraad. In veel gevallen hebben deze wetenschappers een strijd moeten leveren tegen een verschanste en vijandige gevestigde orde. Hun onderzoek ging door gedurende dertig jaar, grotendeels zonder erkenning of onderdrukt, maar niet vanwege de kwaliteit van hun werk. 

Deze wetenschappers, alle van tot de top behorende instituten – Princeton University, Stanford University, top instituten in Duitsland en Frankrijk – hebben onberispelijke experimenten uitgevoerd. Desondanks hebben hun experimenten enkele leerstellingen aangevochten die als heilig werden beschouwd en zich in het hart bevonden van de moderne wetenschap. Ze pasten niet in het overheersende wetenschappelijke beeld van de wereld – de wereld als machine.

. . .

Het wordt hoog tijd om Newton en Descartes naar hun juiste posities te verwijzen, als profeten van een historische kijk die nu achterhaald is. Wetenschap kan alleen maar een proces zijn van het begrijpen van onze wereld en onszelf, niet een vastgestelde set van regels voor altijd, en met het binnen halen van het nieuwe moet het oude vaak het veld ruimen.

* * *